BCAD functies.
Home | BCAD 4 | BCAD functies. | BCAD 5

 

Om een beeld te krijgen van de functies van BCAD is een overzicht van deze functies samengesteld. Elke functie wordt kort behandeld, voor een uitgebreidere uitleg van de functies en hun mogelijkheden krijgt u bij aanschaf van BCAD een uitgebreide Nederlandse handleiding.

De functies binnen BCAD zijn in een aantal groepen in te delen, in deze volgorde worden ze ook behandeld.

bulletfuncties om elementen te positioneren
bulletfuncties om elementen toe te voegen
bulletfuncties om elementen te veranderen
bulletfuncties om elementen te kopiëren
bulletdiverse functies




functies om elementen te positioneren.

absolute coördinaten: Om bijvoorbeeld het beginpunt van een lijn op te geven kunt u gebruik maken van absolute coördinaten. U voert een X en een Y waarde in. Het punt wordt dan geplaatst ten opzichte van het punt links onder in de tekening.
relatieve coördinaten: Als u een punt wilt plaatsen met behulp van relatieve coördinaten geeft u ook een X en een Y waarde op. Deze waarden zijn ten opzichte van het laatst getekende punt.
poolcoördinaten: Bij het plaatsen van een punt d.m.v poolcoördinaten geeft u een punt op ten opzichte van het laatst getekende punt. U voert een getal en een hoek in. Het getal geeft de afstand tussen de punten aan en de hoek tussen deze punten.
eindpunt Om verder te tekenen op een punt waar een lijn geëindigd is kunt u de functie eindpunt gebruiken deze functie "vangt" het eindpunt van een lijn of boog.
snijpunt Om vanaf een snijpunt verder te tekenen kunt u met de functie snijpunt het snijpunt van 2 elementen "invangen".
midden Om  vanaf het midden van een lijn  verder te tekenen, gebruikt u de functie midden.
middelpunt Om het middelpunt van een boog of cirkel te bepalen gebruikt u de functie middelpunt.
constructielijnen Constructielijnen zijn hulplijnen om een x of y coördinaat van een element over te nemen.
raster Als u raster activeert worden er allemaal kleine puntjes op het scherm weergegeven. Deze puntjes staan een aantal mm uit elkaar (Deze waarde kunt u invoeren).
raster magnetisch Als u het raster magnetisch maakt worden alle punten precies op het raster getekend. Als u het raster heeft ingesteld op 10 mm en u beweegt de muis een stukje naar rechts verschuift de aanwijzer precies tien mm.




functies om elementen toe te voegen.

lijn U kunt een beginpunt en een eindpunt opgeven door met de muis de punten aan te klikken of de punten op te geven door middel van de positionering functies.
lijnstring Dezelfde functie als de lijnfunctie, maar u kunt meerdere lijnen aan elkaar tekenen.
rechthoek U voert 2 hoekpunten van de rechthoek in en de rechthoek wordt getekend. Deze punten kunt u invoeren door middel van de positionering functies.
boog U kunt een boog tekenen door een middelpunt, boogpunt en een hoek in te voeren.
boog U kunt een boog tekenen door 2 boogpunten en een radius op te geven.
cirkel U kunt een cirkel tekenen door een middelpunt en een punt op de omtrek aan te geven.
cirkel U kunt een cirkel tekenen door een middelpunt en een radius aan te geven.
cirkel U kunt een cirkel tekenen door een middelpunt en een diameter aan te geven.
cirkel U kunt een cirkel tekenen door drie punten op de omtrek aan te geven.
schetsen U kunt met de muis vrij tekenen.
tekst U kunt tekst invoeren door het beginpunt van de tekst op te geven en de hoek waaronder de tekst moet staan.




functies om elementen te veranderen.

verwijderen U kunt elementen selecteren en verwijderen.
trimmen Om een lijn in te korten tot een bepaald element kunt u de functie trim gebruiken.
verlengen Om een lijn te verlengen tot een bepaald element kunt u de functie verlengen gebruiken.
afronden Bij de afrondingsfunctie wordt een afrondingsboog, met een op te geven radius, geplaatst tussen 2 lijnen
wijzig eigenschap U kunt met deze functie eigenschappen van een element veranderen, zoals bijvoorbeeld lijndikte, lijnsoort, kleur, laag etc.
wijzig tekst Met deze functie kunt u tekst wijzigen.




functies om elementen te kopiëren.

verschalen De functie verschalen wordt gebruikt om een tekening of een deel ervan te vergroten of te verkleinen.
kopiëren Met de functie kopiëren kunt u een tekening of een deel ervan verplaatsen terwijl het origineel blijft staan.
roteren of draaien Met de functie roteren kunt u een aantal elementen roteren om een basispunt onder een opgegeven hoek. U kunt kiezen of het origineel moet worden verwijdert of moet blijven staan.
transleren of verplaatsen De verplaatsfunctie wordt gebruikt, wanneer de positie van elementen veranderd moet worden.
spiegelen Spiegelen is een functie die zeer effectief gebruikt kan worden bij symmetrische delen. U tekent slechts een helft en spiegelt het andere gedeelte.




 

diverse functies

lagen Een laag moet u zich voorstellen als een soort doorzichtige folie, waarop een deel van de tekening staat.  Elk element dat u invoert staat op een van deze lagen. De totale tekening ontstaat door alle velletjes folie op elkaar te leggen. Iedere laag kan zichtbaar of onzichtbaar gemaakt worden.
arceren U kunt een gebied aangeven dat moet worden opgevuld met lijntjes of dat helemaal moet worden ingekleurd.
bemating verticaal Met deze functie plaatst u een verticale bemating tussen twee punten.
bemating horizontaal Met deze functie plaatst u een horizontale bemating tussen twee punten.
bemating scheef Met deze functie plaatst u een schuine bemating tussen twee punten.
gedeeltelijk opslaan Als u een deel van de tekening in een andere tekening wil gebruiken kunt u de tekening gedeeltelijk opslaan.
tekening invoegen Een gedeeltelijk opgeslagen tekening kunt u opvragen en in de huidige tekening invoegen.
zoom kader U kunt een gebied van de tekening aangeven waarop moet worden ingezoomd.
zoom factor U kunt een waarde opgeven, de tekening wordt dan een aantal maal groter of kleiner.
zoom terug U gaat  terug naar de vorige zoom instelling.
zoom tekeningformaat Het hele papier wordt zichtbaar.
zoom alles De hele tekening wordt zichtbaar.
ververs Het beeldfragment wordt opnieuw opgebouwd.